2.3 (d.xii) De Feyter (2001) (Dutch)

Gilgamesh (Dutch) in: Near EastAkkadian

TERUGKEER NAAR OEROEK
Gilgamesj zie tegen hem, tegen de verre Oetnapisjtim:
‘Wanneer ik je zo bekijk, Oetnapisjtim,
zie je er niet anders uit dan ik.
Nee, je bent helemaal niet anders,
je bent net als ik.
Ik had wel graag met je gevochten,
Maar nu ik je zie, kan ik mijn hand niet tegen je opheffen.
Vertel me hoe je voor de godenschaar stond en het eeuwige leven kreeg.’

Oetnapisjtim zei tegen hem, tegen Gilgamesj:
[10] ‘Ik zal je een geheim vertellen, Gilgamesj.
Verborgen zaken van de goden zal ik voor je onthullen.
Sjoeroeppak, een stad die je goed kent,
een zeer oude stad aan de oever van de Eufraat,
was de woonplaats van de goden.
De grote goden vatten het plan op een watervloed te ontketenen.
Zij overlegden met Anoe, hun vader,
met Enlil, hun raadgever,
met Ninoerta, de troondrager,
en met Ennoegi, de inspecteur van de kanalen.
[20] Ook de vooruitziende Ea nam aan de zitting deel.
Hij vertelde hun plannen door aan een rieten hut:
“Riethut, riethut! Wand, wand!
Riethut, luister, Wand, let op!
Man van Soeroeppak, zoon van Oebartoetoe,
breek je huis af, bouw een boot.
Doe afstand van je rijkdommen; houd alleen de levende have.
Geef je bezit op, en red je leven.
Breng het zaad van al wat leeft in het schip.
Laat de boot die je bouwt de juiste afmetingen hebben.
[30] De lengte en de breedte moeten gelijk zijn.
Maak er een dak op zoals de Apsoe heeft.”

Ik begreep alles en zei tegen Ea, mijn Heer:
“Het bevel dat u zojuist hebt gegeven, mijn Heer,
zal ik gehoorzamen en uitvoeren,
maar hoe moet ik het aan de stad, de bevolking en de Ouden verklaren?”
Ea opende zijn mond, sprak en zei tegen mij, zijn dienaar:
“Dit is wat je tegen hen moet zeggen:
‘Ik geloof dat Enlil zich van mij heeft afgekeerd,
daarom zal ik niet in jullie stad blijven.
[40] Ik zal geen voet meer zetten op Enlils bodem.
Ik zal in de Apsoe afdalen en bij mijn meester Ea gaan wonen.
Jullie zal hij bedelven onder overvloed:
het meest exquise gevogelte, de zeldzaamste vissen.
Hij zal jullie rijke oogsten geven.
‘s Morgens laat hij het koekjes regenen,
en ‘s avonds zal er een stortbui van tarwe zijn.'”

Zodra de ochtendschemering aanbrak,
kwam de hele stad om mij heen staan.
De timmerman bracht zijn bijl,
[50] de rietvlechter bracht zijn steen.
De rijken droegen de pek,
de armen sleepten de andere benodigdheden aan.
Op de vijfde dag maakte ik de buitenkant af.
De bodem was één ikoe groot,
de wanden waren tien maal twaalf el hoog,
het dak was tien maal twaalf el per zijde.
Ik ontwierp de indeling en tekende die.
Ik voorzag haar van zes dekken
en verdeelde haar zo in zevenen.
[60] De ruimen verdeelde ik in negenen.
In het midden van de onderkant sloeg ik stoppen,
ik voorzag in vaarbomen en legde al het benodigde klaar.

Ik deed zes sjar pek in de oven
en deed er drie sjar asfalt bij.
De korfdragers brachten drie sjar olie,
niet meegerekend één sjar olie voor het offer.
De schipper stouwde nog twee sjar olie.
Voor de arbeiders slachtte ik runderen.
Dagelijks keelde ik een paar schapen.
[70] De werklui gaf ik zwaar bier, licht bier, olie en wijn,

als water uit de rivier.
Zij vierden feest zoals op het Nieuwjaarsfestival.
Bij zonsopgang legde ik er de laatste hand aan.
Bij zonsondergang was de boot helemaal klaar.

Het vaartuig werd met grote moeite te water gelaten.
De werklui droegen voortdurend rolpalen van achter naar voor.
Twee derde stond onder water toen het schip begon te drijven.
Alles wat ik bezat, laadde ik in de boot.
Alles wat ik aan zilver bezat laadde ik in,
[80] alles wat ik aan goud bezat, laadde ik in,
al mijn levende have laadde ik in.
Ik bracht mijn familie en verwanten aan boord,
de dieren van het veld en de dieren van de wildernis.
Allerlei ambachtslui liet ik aan boord komen.
“‘s Morgens laat ik het koekjes regenen
en ‘s avonds zal er een stortbui van tarwe zijn.
Ga dan scheep en sluit de deur!”

Het beslissende moment brak aan.
‘s Morgens vielen de koekjes met bakken uit de lucht
[90] en ‘s avonds stormde het tarwe.
Soms ging ik naar buiten om te kijken hoe het weer eruitzag.
De storm was verschrikkelijk om te zien.
Ik ging het schip binnen en sloot de deur.
Aan de schipper Poezoer-Enlil gaf ik,
in ruil voor het verzegelen van het schip,
mijn paleis en alles wat erin was.

Toen de ochtendschemering aanbrak,
pakten donkere wolken zich samen aan de horizon.
Adad donderde in hun binnenste.
[100] Sjoellat en Chanisj gingen voor hen uit;
als herauten trokken zij over bergen en vlakten.
Errakal rukte de palen uit,
Ninoerta kwam en liet de stuwmeren overlopen.
De Anoennaki zwaaiden met hun fakkels
en met de vlammen staken zij het land in brand.
De hemel was bevangen van de stilte voor de stormgod.
Licht veranderde in duisternis.
Het land brak als een aardewerkpot.
Een hele dag woedde de storm.
[110] De wind gierde onstuimig en stuwde de watervloed hoog op.
Zoals in het strijdgewoel kon de een de ander niet zien.
De mensen konden elkaar in de regen niet onderscheiden.

De goden schrokken toen ze de vloed zagen.
Ze weken terug en stegen op naar Anoes hemel.
Ze groepten samen als honden die buiten moeten blijven.
De grote godin schreeuwde als een vrouw in barensnood,
Belet-ili met de mooie stem jammerde:
“Was deze noodlottige dag maar tot stof vergaan.
Ik heb een slechte raad gegeven.
[120] Hoe heb ik zoiets verkeerds kunen zeggen in de vergadering der goden?
Hoe heb ik dit geweld, dat mijn schepsels vernietigt, kunnen bevelen?
Eerst baar ik hen als mijn kinderen,
nu vullen ze als visbroed de zee.”
De Anoennaki-goden huilden met haar mee.
Daar zaten ze nu, terneergeslagen en in tranen.
Ze huilden in groepjes met op elkaar geperste lippen.

Zes dagen en zeven nachten woedde de stormwind.
De watervloed en het onweer vernietigde de aarde.
Toen de zevende dag was aangebroken,
[130] ging de storm die de geweldige watervloed had opgestuwd op slag liggen,
nadat hij eerst als een barende vrouw om zich heen had geslagen.
De zee kalmeerde,
de boze wind ging liggen
en de watervloed hield op.
Ik keek naar het weer; overal heerste stilte.
Het mensdom was tot aarde vergaan.
Het overstroomde land strekte zich voor mij uit, zo plat als een dak.
Ik opende het luik, het zonlicht viel op mijn gezicht.
Ik knielde neer en huilde.
[140] De tranen stroomden over mijn gezicht.
Ik stond op de uitkijk naar de oever, een einde aan de zee.
Op een afstand van twaalf maal twaalf el zag ik land oprijzen!

Het schip strandde op deze berg Nimoesj.
De berg Nimoesj hield het schip in zijn greep
en liet het niet meer gaan.
Een eerste dag, een tweede dag
hield de berg Nimoesj het schip vast
en liet het niet meer gaan.
Een derde dag, een vierde dag
[150] hield de berg Nimoesj het schip vast
en liet het niet meer gaan.
Een vijfde dag, een zesde dag
hield de berg Nimoesj het schip vast
en liet het niet meer gaan.
Toen brak de zevende dag aan.
Ik liet een duif los.
De duif vloog weg en kwam weer terug:
ze had nergens een rustplaats kunnen vinden, en rechtsomkeert gemaakt.
Ik liet een zwaluw los.
[160] De zwaluw vloog weg en kwam weer terug:
ze had nergens een rustplaats kunnen vinden, en rechtskomeert gemaakt.
Ik liet een raaf los.
De raaf vloog weg en zag dat het water wegzakte.
ze at, fladderde rond, lichtte haar staart en keerde niet terug.
Ik keerde mij naar de vier windstreken en bad.
Ik offerde aan de goden.
Ik plengde een offer op de top van de berg.
Zeven en nog eens zeven offervazen stelde ik op,
waarin ik suikerriet, cederhout en mirre deed.

[170] De goden roken de geur.
De goen roken de aangename geur.
De goden kwamen als vliegen op de offervazen af.
Toen Belet-ili aankwam,
hield zij de grote vliegenamuletten, die Anoe voor haar plezier gemaakt had, in de hoogte.
“Jullie, goden, die nu hier zijn!
Zo waar als ik deze dingen van lapis lazuli om mijn hals nooit zal vergeten,
zo zal ik deze dagen nooit vergeten.
Moge ik ze mij altijd herinneren!
Alle goden mogen naar dit offer komen,
[180] maar Enlil mag niet naar dit offer komen,
omdat hij, onnadenkend, de watervloed opriep
en mijn schepsels overleverde aan het verderf.”

Toen Enlil arriveerde
en hij het schip zag, ontstak hij in woede.
Hij was vervuld van woede jegens de Igigi-goden.
“Is er iemand ontsnapt?
Niemand had de catastrofe mogen overleven!”
Ninoerta opende zijn mond, sprak en zei tegen de heldhaftige Enlil:
“Wie, behalve Ea, zou ziets kunnen verzinnen?
[190] Ea weet hoe hij zoiets voor elkaar moet krijgen.”
Ea opende zijn mond, sprak en zei tegen de held Enlil:
“Jij, de heldhaftigste, de wijste onder de goden,
hoe heb je, zonder na te denken, de watervloed kunnen oproepen.
Straf de zondaar voor zijn zonden.
Straf de misdadiger voor zijn misdaden.
Maar geef ook toe,
opdat hij niet helemaal zal worden afgesneden van het leven.
Heb geduld, opdat hij niet zal omkomen.
In plaats van een watervloed los te laten,
[200] had een leeuw losgelaten om de mensheid uit te dunnen.
In plaats van een watervleod los te laten,
had een wolf losgelaten om de mensheid uit te dunnen.
In plaats van een watervloed los te laten,
had een hongersnood gezonden om het land uit te putten.
In plaats van een watervloed los te laten,
had Erra gezonden om een slachting onder de mensen aan te richten.
Ik heb het gehiem van de grote goden niet onthuld.
Ik liet de zeer wijze alleen maar een droom zien:
zo leerde hij het geheim van de goden kennen.
[210] Besluit nu wat je met hem wilt doen.”

Enlil kwam aan boord van het schip.
hij nam mijn hand en liet mij opstijgen.
Ook liet hij mijn vrouw opstijgen en naast mij neerknielen.
Hij raakte onze voorhoofden aan,
en tussen ons in staande, zegende hij ons:
“Vroeger, Oetnapisjtim, was je een mensenkind.
Voortaan zullen Oetnapishtim en zijn vrouw net zo zijn als wij goden.
Oetnapisjtim zal ver weg aan de monding van de rivieren wonen.”
Hij nam mij mee
[220] en liet mij wonen, ver weg, aan de monding van de rivieren.

(d.i) Akkadian [transliteration](d.ii) Wasserman (2020)(d.iii) George (2003)(d.iv) George (1999)(d.v) Foster (2001)(d.vi) Dalley (2000)(d.vii) Kovacs (1989)(d.viii) Gardner and Maier (1984)(d.ix) Sandars (1972)(d.x) Hecker (1994) (German)(d.xi) Bottéro (1989) (French)(d.xii) De Feyter (2001) (Dutch)(d.xiii) Secondary sources

– De Feyter, Theo, Het Gilgamesj-epos, (Amsterdam: Ambo, 2001), pp. 119-125.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s